In januari 2011 verscheen het 31ste nummer van het wielermagazine De Muur. Arthur van den Boogaard beschrijft in deze speciale editie de geschiedenis van schrijven en wielrennen. Beginnend bij Pim Kiderlen, de eerste grote Nederlandse wielerkampioen in de jaren tachtig van de negentiende eeuw doet hij verslag van zo'n honderdenvijftig jaar wielergeschiedenis.

Van den Boogaard begroef zich in archieven, las klassiekers en vergeten werken, reisde door Europa en verder, vroeg wielerschrijvers het hemd van het lijf en zette zich zelfs letterlijk in het wiel van de Nobelprijswinnaar voor literatuur 2003, J.M. Coetzee. Zijn verslag is een chronologische tocht door de wielerliteratuur, waarbij boeken worden gekoppeld aan de werkelijkheid en hij vanuit de beschreven verhalen op zoek gaat naar de echtheid van de koers.

Émile Zola, Uwe Johnson, Peter Winnen, Samuel Beckett, Henry Miller, Jean Bobet, Bruno Schulz, Georges Perec, Erik Brouwer, Joris van den Bergh, Enrico Brizzi, Curzio Malaparte, Benjo Maso, Paul Kimmage, Gabriel García Márquez, Alfred Jarry, Jørgen Leth, Frans Netscher, William Saroyan, Paul Morand, Jan Siebelink, H.G. Wells, Koos de Boer, Stijn Streuvels, Bob Roll, Ernest Hemingway en Karel van Wijnendaele: een selectie van de schrijvers waarover Van den Boogaard in zijn persoonlijke verslag verhaalt. Reportages, interviews en spannende verhalen met nieuwe ontdekkingen over de wondere wereld van het wielrennen vormen tezamen het boek Slipstroom.

Tim Krabbé, schrijver van het oerwielerboek De Renner, vertrouwde hem toe 'geen enkel zinnig verband tussen schrijven en wielrennen te zien.' Waarna Krabbé ruim vijf uur lang sprak over de ontstaansgeschiedenis- en betekenis van De Renner. Ook dat interview is terug te vinden in deze speciale editie van De Muur getiteld Slipstroom.

Als voorproef het voorwoord van het boek.

 

 

 

Voorwoord

 

Verlangen is brandstof voor de verbeelding. Diep gevoeld, onvervuld verlangen doet de aanhouder aanhouden. Toont de romanticus de waarde van zijn gedachten. Zorgt ervoor dat een schrijver steeds weer verder schrijft. En in sommige gevallen krijgt een dergelijk verlangen zomaar een naam.

Toen de redactie van De Muur mij in de zomer van 2008 vroeg voor een themanummer over die o zo wonderlijke connectie tussen schrijven en wielrennen – ‘Zeg, dat wielrennen staat bekend als de meest literaire sport. Zou jij niet even kunnen uitzoeken hoe dat precies zit?’ - wist ik direct wat deze naam was.

Ab Geldermans.

Zeven jaar lang was hij profwielrenner. Zeven maal verscheen hij aan de start van de Tour de France. Won in 1960 Luik-Bastenaken-Luik. Droeg in 1962 twee dagen de gele trui. Behaalde als ploegleider met Jan Janssen in 1968 de eerste Nederlandse tourzege. Bestierde jarenlang een sportzaak in zijn geboortedorp Beverwijk. En kwam tijdens trainingstochten met goedwillende amateurs altijd weer met verrassende verhalen uit zijn proftijd. Favoriet onderwerp was de Franse renner Jacques Anquetil, die hij als meesterknecht aan menig eindoverwinning in de Tour had geholpen.

Dat was Ab Geldermans en zo heette mijn verlangen.

Was ik hem namelijk geweest, dan had ik die vraag van de redactie met een alleszeggende anekdote kunnen beantwoorden.

‘Nergens wordt meer verloren dan in het wielrennen. En niks schrijft lekkerder dan groot verlies.’

‘Wielrennen is lijden. En menselijk lijden brengt bij schrijvers het beste naar boven.’

‘Aan de oppervlakte gebeurt er tijdens wielerwedstrijden verdomde weinig. Dat maakt de sport tot een bijna blanco bladzijde die een schrijver naar eigen goeddunken geheel kan volpennen.’

‘In tegenstelling tot alle andere sporten is het verhaal van de wielerwedstrijd nooit de wedstrijd zelf, maar altijd het vertelde verhaal.’

Verder dan dergelijke gemeenplaatsen als verklaring voor die o zo wonderlijke connectie tussen schrijven en wielrennen kwam ik niet. Ook niet na langdurig nadenken, lezen en het maken van de benodigde trainingsuren op een van de door mij geleende racefietsen.

Was ik maar Ab Geldermans. Dan putte ik uit mijn wielergeheugen een of andere anekdote over het fietsgedrag van Anquetil. Net zoals hij dat ook deed voor de schrijver Tim Krabbé in diens oerwielrenboek De Renner. “Het verhaal van Geldermans treft de ziel van de renner, het is dus waar,” schreef Krabbé hierover.

En de schrijver had gelijk. Het was waar.

Net zoals de grote Anquetil zelf het bij het rechte eind had wanneer hij na een koers verwees naar de Franse wielerschrijver Pierre Chany voor de duiding van het wedstrijdverloop. “Zelfs ik wacht op het artikel morgen van Pierre Chany in l’Équipe om er achter te komen wat ik heb gedaan, waarom en hoe ik het deed. Wat hem die autoriteit geeft is dat hij competent is, dat hij weet wie ik ben en mij begrijpt. Zijn versie is beter dan de mijne en deze zal dan ook de mijne worden.”

Rake woorden van een vijfvoudig Tourwinnaar over die o zo wonderlijke connectie tussen schrijven en wielrennen. Rake woorden en een handvat voor iemand wiens verlangen de naam Ab Geldermans draagt. Vertrouwen op verhalen was immers de beste manier om dit project tot een goed einde te brengen.

Dergelijk vertrouwen betekent voor deze ‘kleine geschiedenis van schrijven en wielrennen’ ook een geloof in details. Daar openbaart zich immers een eventuele connectie. Vandaar dat in deze De Muur de schijnwerper wordt gericht op schijnbaar kleine gebeurtenissen in de wielergeschiedenis.

De lezer zal mogelijk vertwijfeld zoeken naar verhalen over iemand als Pierre Chany. Geboren in 1922 deed hij verslag van negenenveertig edities van de Tour. Hij schreef allesomvattende overzichtswerken van de Ronde van Frankrijk, alle wielerklassiekers en het wereldkampioenschap. Ook publiceerde hij biografieën van Fausto Coppi en Jacques Anquetil, de wielerroman Une Longue Échappée (Een lange ontsnapping) en was hij een veelgevraagd columnist. Vlak voordat hij in 1996 zijn vijftigste Tour zou verslaan stierf hij. Zijn naam is nog steeds verbonden aan de prijs, Le Prix Pierre Chany, voor het beste Franstalige wielerverhaal van het jaar.

Toch ontbreekt Chany. En met hem velen, velen anderen die een voorname plek in de internationale wielerschrijversgeschiedenis innemen. Een tijdsbalk aan het einde van dit themanummer biedt wellicht enig soelaas. Wat wel in deze De Muur staat dient gelezen te worden met die eenvoudige vraag in het achterhoofd: Wat is toch die o zo wonderlijke connectie tussen schrijven en wielrennen?

Maar voordat de zoektocht kan aanvangen moet eerst hoognodig een misverstand de wereld in worden geholpen. Aanvankelijk was het namelijk allemaal anders. Aanvankelijk was helemaal niemand Ab Geldermans. Aanvankelijk,...

 

 

 

 

Meer lezen? Ren naar de boekwinkel! Of klik op Lezen en stuur een mail voor één van de overige hoofdstukken.